Acm.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruikersgemak te verbeteren. Lees meer over cookies

Besluit op ontheffing kartelverbod Rotterdamse Haagse Asfalt Combinatie

Samenwerkingsovereenkomst ROHAC valt na splitsing Rotterdam en Den Haag niet langer onder kartelverbod. Ontheffingsaanvraag wordt afgewezen.

Op 31 maart 1998 ontving de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: d-g NMa) een aanvraag om ontheffing van de Rotterdamse Haagse Asfalt Combinatie v.o.f. (hierna: ROHAC v.o.f. of aanvraagster) met het verzoek een ontheffing te verlenen van het verbod van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (hierna: Mw) op grond van artikel 17 Mw.

De NMa heeft op 21 december 2001 een conceptbesluit inzake de onderhavige ontheffingsaanvraag aan ROHAC gezonden. Daarin stond dat de NMa voornemens was om de ontheffingsaanvraag af te wijzen. De reden betrof het feit dat de ontheffingsaanvraag met betrekking tot ROHAC onder de reikwijdte van het kartelverbod viel, zoals vervat in artikel 6, eerste lid, Mw. Daarnaast voldeed de aanvraag niet aan de cumulatieve ontheffingsvoorwaarden van artikel 17 Mw. Bij toezending van het conceptbesluit is ROHAC de gelegenheid geboden met concrete wijzigingsvoorstellen aan te geven hoe het samenwerkingsverband op een dusdanige manier wordt gewijzigd, dat deze niet langer onder de reikwijdte van het kartelverbod valt.

Het definitieve voorstel houdt in dat het aandeelhouderschap inzake de asfaltcentrales te Rotterdam en Den Haag wordt gesplitst.

Op de relevante markt, te weten de markt voor het asfalteren van wegen in Nederland, hebben de ondernemingen die in ACR participeren een gezamenlijk marktaandeel van ongeveer 19%. De ondernemingen die in HAC participeren hebben een gezamenlijk marktaandeel van ongeveer 17%. Aangezien het gezamenlijke marktaandeel van de overblijvende ondernemingen op de relevante markt in zowel ACR als in HAC minder is dan 20%, is het resultaat van de splitsing van de asfaltcentrales, dat de samenwerkingsovereenkomst, voor zover dat noodzakelijk is, onder het toepassingsbereik van de bovengenoemde Groepsvrijstelling valt. Voor de onderhavige samenwerkingsovereenkomst, met inachtneming van de wijzigingen zoals die door partijen in de overeenkomst van 10 januari 2003 zijn vastgelegd, geldt derhalve, gelet op artikel 12 dan wel artikel 13 Mw, artikel 6, eerste lid, Mw niet.

Gelet op het bovenstaande wordt de aanvraag van ROHAC om ontheffing in de zin van artikel 17 Mw voor de aangemelde overeenkomst afgewezen, aangezien deze overeenkomst, met inachtneming van de wijzigingen zoals die door partijen in de overeenkomst d.d. 10 januari 2003 zijn vastgelegd, niet in strijd is met het verbod van artikel 6, eerste lid, Mw.


Documenten

We doen ons best om documenten toegankelijk te maken. Helaas lukt dat niet altijd. Kunt u de tekst van een document op onze website niet lezen met een schermlezer of kunt u de kleuren van grafieken niet onderscheiden? Stuur ons een email. We nemen binnen een week contact met u op. En we proberen u binnen 4 weken een toegankelijke versie te sturen.

Bijlagen

We doen ons best om documenten toegankelijk te maken. Helaas lukt dat niet altijd. Kunt u de tekst van een document op onze website niet lezen met een schermlezer of kunt u de kleuren van grafieken niet onderscheiden? Stuur ons een email. We nemen binnen een week contact met u op. En we proberen u binnen 4 weken een toegankelijke versie te sturen.

Meer in deze zaak

Terug naar boven