Kruimelpad

Gerechtelijke uitspraak

Uitspraak CBb in geschil kostenverdeling bij verleggen telecomkabels

18-05-2015

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) biedt duidelijkheid hoe de Telecomwet te interpreteren bij kostenverdeling verleggen telecomkabels.

Achtergrond en procedure

Op 31 maart jl. heeft het CBb uitspraak  gedaan in een langslopende geschilprocedure tussen 7 telecomaanbieders, Rijkswaterstaat en twee gemeenten over de verlegging van telecomkabels.

Hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet kent een regeling voor het aanleggen en verplaatsen van telecomkabels. Op grond van deze regeling kan een grondeigenaar een telecomaanbieder verzoeken zijn in de grond aanwezige kabels te verleggen, wanneer dat nodig is voor het uitvoeren van werkzaamheden op die grond. De kosten van verplaatsing zijn voor rekening van de aanbieder als de verplaatsing noodzakelijk is voor de werkzaamheden van de grondeigenaar.

De gemeenten en later Rijkswaterstaat hadden een verzoek gedaan aan de telecomaanbieders om hun kabels te verplaatsen in verband met de aanleg van de rijksweg A12. De telecomaanbieders hebben de kabels verlegd, maar zich wel op het standpunt gesteld dat zij daarvoor niet de kosten hoeven te dragen nu de gemeenten niet aan de voorwaarden voor kosteloze verplaatsing zouden voldoen. Omdat partijen het niet eens konden worden over de verdeling van de kosten voor het verleggen van de kabels, zijn zij twee procedures gestart. Rijkswaterstaat heeft zich tot de civiele rechter gewend en de aanbieders hebben zich tot ACM gewend.

Besluit ACM

ACM heeft twee besluiten genomen: een besluit in het geschil tussen de gemeenten en de aanbieders en een besluit in het geschil tussen Rijkswaterstaat en de aanbieders.

Oordeel College van Beroep voor het bedrijfsleven

Op het moment dat deze zaak ter zitting werd behandeld bij het CBb was in de civiele procedure tussen de aanbieders en Rijkswaterstaat al uitspraak gedaan door de Hoge Raad. Op de meest principiële punten had de Hoge Raad al beslist. Deze uitspraak van de Hoge Raad ondersteunde de besluiten van ACM op de belangrijkste punten. Het CBb volgde in zijn uitspraak de Hoge Raad.

Het CBb kwam allereerst tot de conclusie dat Rijkswaterstaat geen belang heeft bij het hoger beroep, nu de civiele rechter al heeft geoordeeld over dezelfde vragen en deze uitspraak inmiddels vast staat. Inhoudelijk gaat het CBb alleen in op het geschilbesluit tussen de gemeenten en de aanbieders. Het CBb onderschrijft het besluit van ACM:

  • Er was sprake van een geschil. Uit de stukken blijkt dat de aanbieders en de gemeenten het niet eens waren over de vraag wie de kosten moest dragen voor de verplaatsing van de kabels. ACM was dus bevoegd om een besluit te nemen.
  • Het peilmoment waarop ACM moest beoordelen wie de kosten moest dragen voor de verlegging is het moment waarop het verlegginsgverzoek werd gedaan en niet het moment waarop de kabels daadwerkelijk werden verlegd.
  • De werkzaamheden zijn niet door of vanwege de gemeenten uitgevoerd, de gemeentes waren geen mede-opdrachtgever van de aanleg van de A12.
  • Het gebruiksrecht dat Rijkswaterstaat van de gemeenten had gekregen voorafgaand aan de eigendomsoverdracht van de grond maakt Rijkswaterstaat geen rechthebbende op die grond.
  • ACM heeft terecht het verleggingsverzoek van Rijkswaterstaat als een zelfstandig verzoek aangemerkt en niet als een voortzetting van het verzoek van de gemeenten.
  • Er is geen misbruik van de verplaatsingsregeling gemaakt doordat eerst de gemeenten en daarna Rijkswaterstaat om verplaatsing hebben gevraagd. Een nieuwe rechthebbende op de grond heeft een zelfstandig recht om verplaatsing te verzoeken.

Op één punt volgt het CBb ACM niet: de toepassing van het nieuwe recht. Hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet is in 2007 gewijzigd, omdat daarin geen overgangsbepalingen zijn opgenomen is het uitgangspunt dat het nieuwe recht directe werking heeft. In dit geval zou directe werking echter tot gevolg hebben dat aan het nieuwe recht terugwerkende kracht wordt verleend. Dat komt doordat het peilmoment waarop ACM de zaak moet beoordelen het moment van het verleggingsverzoek is. Aangezien de verleggingsverzoeken in 2004 en 2005 werden gedaan en pas daarna (2007) de wet werd gewijzigd, zou directe werking in dit geval eigenlijk terugwerkende kracht van de wet betekenen. Daarom komt het CBb tot de conclusie dat in deze zaak het oude recht had moeten worden toegepast. Voor de beoordeling van deze zaak maakte de toepassing van het oude recht echter geen verschil.

Consequenties uitspraak

Met deze uitspraak heeft de hoogste bestuursrechter uitsluitsel gegeven hoe de belangrijkste begrippen uit hoofdstuk van 5 van de Telecommunicatiewet moeten worden uitgelegd. Deze duidelijkheid is belangrijk voor telecomaanbieders en grondeigenaren.