Kruimelpad

Spreekpunten Remko Bos over de Warmtewet

Op 4 februari 2015 had Remko Bos (directeur Energie bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM)) spreekpunten over de Warmtewet tijdens een ronde tafelgesprek in de Tweede Kamer.

Volledige speech van Remko Bos tijdens ronde tafelgesprek Warmtewet

Geachte leden van de Tweede Kamer,

Allereerst wil ik u hartelijk danken voor de gelegenheid om als toezichthouder op de Warmtewet een paar punten te mogen bespreken. De Minister heeft in zijn brief aan uw Kamer al gezegd de Warmtewet te willen wijzigen. Net als de Minister, en net als vele aanwezigen vandaag, zien ook wij, de Autoriteit Consument & Markt, enkele punten die aangepakt moeten worden. Sinds de inwerkingtreding van de wet ontvingen wij bij ons consumentenloket ConsuWijzer 970 klachten en vragen over de Warmtewet. Bij het Bedrijvenloket kwamen 690 vragen en klachten binnen van zakelijke afnemers en warmteleveranciers.

ACM ziet dat de regelgeving op een aantal punten niet duidelijk is. Een van die punten gaat over de vraag wie nu precies welke rol heeft. Dus wie is waar voor verantwoordelijk? => Wie is leverancier en wie is de verbruiker?

Doordat de definities en rollen niet altijd helder zijn, ontstaat er onduidelijkheid. Denk aan een appartementencomplex waar niet altijd duidelijk is wie de leverancier is: de gebouweigenaar? Of de stadsverwarmingsleverancier die feitelijk de warmte levert?Of denk aan verzorgingstehuizen waar niet duidelijk is of een bewoner op een kamer als verbruiker moet worden aangemerkt. Dezelfde vraag geldt voor een ruimte waar meerdere bedrijven zitten.

Door deze onduidelijkheden weten consumenten en bedrijven niet altijd waar ze aan toe zijn. En ook ACM kan hierdoor niet op een effectieve manier de wet handhaven.

Het tweede punt gaat over de plichten voor leveranciers. Voor veel kleine warmteleveranciers is het bijna onmogelijk om aan alle verplichtingen van de wet te voldoen. De regeldruk is hier te hoog, vooral op het gebied van administratieve en financiële lasten. Wij stellen voor deze verplichtingen nog eens goed te tegen het licht te houden.

Het derde punt gaat over het Niet Meer Dan Anders-principe zoals dat in de wet is opgenomen. Daarbij spelen twee vragen. Allereerst is het de vraag of het Niet-Meer-Dan-Anders-principe in de praktijk werkt. Daarnaast is het de vraag of we aan dit principe voor de lange termijn moeten vasthouden? Ik ga hier nader op in.

De eerste vraag is dus of het Niet-Meer-Dan-Anders-principe in de praktijk ook werkt?

Allereerst zien we dat er onvrede is bij consumenten over het feit dat iedereen over één kam wordt geschoren. ACM stelt de maximumprijs voor warmte vast. Daarbij is in de wet gekozen voor één type consument in één specifieke woonsituatie. De meeste consumenten herkennen zich niet in die specifieke situatie. Ze hebben daardoor het gevoel dat het tarief dat berekend wordt geen recht doet aan hun eigen situatie. En daar hebben zij gelijk in. En dat betekent dat de ene consument inderdaad duurder uit zal zijn en de ander goedkoper. Niet iedereen past in het profiel van de gemiddelde consument dat nu uitgangspunt is bij het berekenen van het tarief.

Ten tweede zou naar onze mening – als we naar de huidige berekening van het maximumtarief kijken – onderzocht moeten worden of de rekenwaarden die nu voor de verschillende componenten gelden – en die de uiteindelijke prijs bepalen – wel overeen komen met de praktijk. Hierover is op zijn minst twijfel. Daarnaast komen er nog allerlei kosten bij die buiten die maximumprijs vallen, en die door ons alleen op redelijkheid kunnen worden getoetst. Zoals de kosten voor afleversets en warmtekostenverdelers. Consumenten menen dat sommige kosten onterecht worden berekend. Of dat er te veel geld voor gevraagd wordt. Een oplossing kan zijn om ook die kostenposten aan een maximumprijs te binden.

Dan kom ik aan de tweede vraag: Moeten we aan het NMDA- principe voor de lange(re) termijn vasthouden?

ACM doet zelf momenteel onderzoek naar de rendementen van warmteleveranciers. Dat is onze taak. Toen wij dat in 2010 deden voor de leveranciers van stadsverwarming, bleek er geen sprake te zijn van overwinsten. Integendeel! Ze bleken toen verlies te lijden. Een zorg die op dit moment leeft – vooral bij duurzame warmtenetten – is of zij wel rendabel kunnen zijn onder het NMDA-principe. We zien de maatschappelijke vraag naar duurzame alternatieven toenemen. Als potentiële opbrengsten de kosten niet dekken, komen vooral duurzame initiatieven moeilijk van de grond. Of de koppeling met NMDA hier overeind moet blijven is een vraag voor de politiek.

Er zou onderzoek gedaan kunnen worden naar alternatieven voor het Niet-Meer-Dan-Anders-principe. Bij de netbeheerders zijn de maximum tarieven gebaseerd op de kosten waarbij zij via regulering geprikkeld worden tot kostenbesparing. Omdat zij monopolist zijn bij het transport van gas en elektriciteit, zijn de maximumtarieven die zij aan consumenten (en bedrijven) mogen vragen, gebaseerd op de efficiënte kosten – zoals onderhoud en afschrijvingen op investeringen – inclusief een redelijk rendement. Daardoor ontstaat een redelijke prijs die tevens een rendabele bedrijfsvoering mogelijk maakt. Ook voor nieuwe duurzame initiatieven.

Tot slot zien wij een groep consumenten die wel warmte afneemt, maar die nu niet onder de Warmtewet valt: de wet stelt immers dat de geleverde temperatuur van het water geschikt moet zijn voor huishoudelijk gebruik. Het water wordt in deze gevallen lauw aangeleverd en pas in huis opgestookt tot de gewenste temperatuur. Afgelopen week heeft ACM nog een handhavingsverzoek moeten afwijzen. Het is belangrijk dat deze groep van consumenten toch beschermd wordt, omdat ook zij niet kunnen overstappen van leverancier.

Tot zover mijn korte inbreng. Hartelijk dank. Ik wil graag uw eventuele vragen beantwoorden.

 

Zie ook