CBb: ACM heeft terecht handhandhavingsverzoek AVR afgewezen
De ACM heeft het handhavingsverzoek van AVR-afvalverwerking B.V. (AVR) terecht afgewezen op grond van haar prioriteringsbeleid. Dat blijkt uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 26 mei 2026.
AVR heeft de ACM verzocht handhavend op te treden tegen 15 gemeenten die gezamenlijk aandeelhouders zijn van het overheidsbedrijf Twence. Twence is een afvalverwerker en verwerkt het huishoudelijk afval voor de 15 gemeenten. Volgens AVR bevoordelen de aandeelhoudende gemeenten Twence doordat zij de opdracht voor het verwerken van huishoudelijk afval niet hebben aanbesteed en doordat zij voor deze opdracht te hoge vergoedingen betalen. AVR stelt dat de 15 gemeenten daardoor het bevoordelingsverbod uit de Wet Markt & Overheid overtreden.
De ACM heeft het handhavingsverzoek van AVR afgewezen op grond van haar prioriteringsbeleid. In 2024 bevestigde de rechtbank Rotterdam dit oordeel van de ACM. Nader onderzoek door de ACM zou ook volgens de rechtbank niet doelmatig en doeltreffend zijn. Er loopt namelijk al een civielrechtelijke procedure tussen AVR en de aandeelhoudende gemeenten over de vraag of de opdracht terecht niet is aanbesteed. De ACM is dus niet de aangewezen instantie om dit te beoordelen. Om te bepalen of de tarieven van Twence marktconform zijn, moet veel (economisch) onderzoek worden gedaan. Bovendien is de ACM niet de aangewezen instantie om dat onderzoek te doen. Als al sprake zou zijn van een overtreding, dan zijn zeer waarschijnlijk de Europese staatssteunregels van toepassing. In dat geval is de Europese Commissie bevoegd en niet de ACM.
AVR was het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en stelde daar hoger beroep tegen in. Het CBb oordeelt nu dat dit hoger beroep ongegrond is. Ook volgens het CBb heeft de ACM het handhavingsverzoek terecht afgewezen op grond van haar prioriteringsbeleid.
Met deze uitspraak is het besluit definitief.