Uitspraak CBb: ACM moet besluit over redelijk rendement warmteleveranciers aanpassen
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft uitspraak gedaan over het beroep van de Vereniging Energie-Nederland tegen het besluit redelijk rendement voor warmteleveranciers van de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
De ACM heeft in 2023 het redelijk rendement (WACC) voor de periode 2018-2025 vastgesteld. Dit is het maximale rendement dat warmteleveranciers mogen behalen. Als een leverancier meer verdient dan dit normrendement, kan de ACM ingrijpen. In dat geval moet de leverancier het teveel verdiende bedrag teruggeven aan consumenten door de tarieven in de toekomst te verlagen.
Vereniging Energie-Nederland is in beroep gegaan tegen het besluit van de ACM. Volgens Energie-Nederland heeft de ACM een vergelijkingsgroep gebruikt die onvoldoende representatief is voor de Nederlandse warmtebedrijven. Daardoor zouden de risico’s te laag zijn ingeschat. De kostenvoet van het eigen vermogen (KEV) zou daarom hoger moeten zijn. Een hogere KEV leidt tot een hoger toegestaan rendement.
Tijdens de procedure heeft het CBb andere onafhankelijke deskundigen gevraagd om onderzoek te doen naar een generieke opslag op de kostenvoet eigen vermogen voor de Nederlandse warmteleveranciers. In hun rapport pleiten zij voor een hogere KEV voor warmteleveranciers omdat de warmtesector zeer specifieke kenmerken kent, hetgeen gereflecteerd zou moeten worden in hogere financieringskosten. Zij adviseerden voor de warmtesector in de huidige fase een opslag van 1% op de KEV.
De ACM was het daar niet mee eens. De ACM vindt dat de vergelijkingsgroep wel passend is voor de Nederlandse warmtesector. Een verdere verhoging van het redelijk rendement gaat leiden tot hogere kosten voor consumenten en kan de warmtetransitie ontmoedigen.
Het CBb oordeelt dat de huidige structuur van de warmtemarkt niet vergelijkbaar is met andere gereguleerde markten. Een andere invulling van het redelijk rendement is daarom nodig. Ook oordeelt het CBb dat het consumentenperspectief, dat is gebaat bij een lager vastgesteld redelijk rendement, niet zonder meer voorrang heeft boven het investeringsperspectief. Het CBb oordeelt daarom dat de ACM een opslag van 1% op de KEV moet toepassen.
De ACM zal de uitslag bestuderen en moet binnen vier maanden een nieuw besluit nemen over het redelijk rendement van warmteleveranciers.