Kruimelpad

Geschilbesluit Dobbestroom en TenneT over dichtstbijzijnde punt in net

Een netbeheerder moet op basis van de Elektriciteitswet 1998 en de Tarievencode elektriciteit een afnemer aansluiten op het dichtstbijzijnde punt in zijn net. Het aansluittarief dat de netbeheerder mag rekenen is gebaseerd op dit punt.  Voor het bepalen van het dichtstbijzijnde punt in het net maakt de Elektriciteitswet 1998 onderscheid tussen kleine (tot en met 10 MVA) en grote (groter dan 10 MVA) aansluitingen. Kleine aansluitingen worden aangesloten op een punt met een bij de aansluiting behorend spanningsniveau, dat technisch gezien redelijkerwijs geschikt is. Grote aansluitingen worden aangesloten op een punt waar voldoende netcapaciteit beschikbaar is.

Dobbestroom wil graag een grote aansluiting op het net van TenneT. Dobbestroom en TenneT verschillen van mening over waar het dichtstbijzijnde punt zich bevindt. In het verlengde daarvan zijn Dobbestroom en TenneT het niet eens met het tarief dat TenneT bij Dobbestroom in rekening heeft gebracht. Dobbestroom stelt dat voor het bepalen van het dichtstbijzijnde punt alleen bepaald hoeft te worden of op dat punt feitelijk voldoende capaciteit beschikbaar is voor de aansluiting. TenneT vindt dat ook rekening moet worden gehouden met de technische geschiktheid van het punt om de veiligheid en betrouwbaarheid van het net te waarborgen.

In het geschilbesluit stelt ACM vast dat niet alleen de feitelijke netcapaciteit relevant is voor het bepalen van het dichtstbijzijnde punt. Grote aansluitingen hebben een duidelijke impact op de integriteit en het functioneren van het net. Om hier rekening mee te houden, is ACM van mening dat – net als bij kleine aansluitingen – ook beoordeeld moet worden of het aansluitpunt technisch gezien redelijkerwijs geschikt is voor de aansluiting. ACM geeft TenneT daarmee gelijk.

Meer informatie