Uitspraak CBb over overschrijding redelijke termijn in kartelzaak 3938-302 bouwfraude
Het CBb wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe.
Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt aangenomen dat sprake is van immateriƫle schade welke volgens vaste bestuursrechtjurisprudentie voor vergoeding in aanmerking komt. In de jurisprudentie wordt hiervoor een vast bedrag van 500 euro per half jaar gehanteerd. Het CBb bepaalt in zijn uitspraak van 3 september 2013 dat dit bedrag ook wordt gehanteerd in zaken die wel als boetezaak zijn begonnen, maar het boetebesluit is vernietigd.
Ter zake van de gevorderde advocaatkosten stelt het College voorop dat de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep reeds zijn vergoed op grond van het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel. Uiteindelijk moet ACM een bedrag van 500 euro vergoeden aan het bouwbedrijf voor de overschrijding in de fase van bestuurlijke besluitvorming. De Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) moet 1500 euro betalen voor de overschrijding in de rechterlijke fase.
Deze uitspraak is onherroepelijk.