Blog Jan Tichem: Overheidsbeleid verduurzaming blijft nodig
Het kabinet Schoof plaatst de markt in de schijnwerpers om de economie te verduurzamen. Het regeerprogramma stelt “we geven Nederlands ondernemerschap en creativiteit volop de ruimte en scheppen groene markten”. De budgettering volgt deze logica. Geld voor verduurzaming moet namelijk ook door een innovatieve groene financiële sector opgebracht worden. Dit wijst op meer vertrouwen in marktgebaseerde initiatieven en minder sturing door de overheid. De markt levert inderdaad een bijdrage aan de verduurzaming van onze economie en samenleving, maar het is geen alternatief voor overheidsbeleid. Als het gaat om duurzaamheidsprestaties versterkt overheidsbeleid het initiatief vanuit de markt juist. Overheidsbeleid, zoals wettelijke normen, belasting op vervuiling en subsidie voor vergroening, blijft daarom essentieel.
Verduurzaming door de markt
Ondernemerschap is een drijvende kracht achter innovatie en productiviteitsgroei. Vooral als er sprake is van effectieve concurrentie. In de jacht op meer klandizie ontwikkelen ondernemers nieuwe producten. Als de klant erom geeft – en dus voor wil betalen – richten ondernemers zich op verduurzaming. Een mooi voorbeeld van deze dynamiek komt uit de auto-industrie. Empirisch onderzoek laat zien dat autofabrikanten meer groene technologie ontwikkelen naarmate hun klanten meer om duurzaamheid geven. Dit effect is sterker bij meer concurrentie. De combinatie van groene voorkeuren en concurrentie blijkt een sterke stimulans: even sterk als een accijns van 17 procent.
Concurrentietoezicht kan dus bijdragen aan de verduurzaming die markten leveren. Een berucht historisch voorbeeld van een anti-duurzaamheidskartel is het Phoebus-kartel. De ondernemingen spraken af om de gebruiksduur van gloeilampen te beperken tot onder het technisch haalbare. Ook misleidende duurzaamheidsclaims moeten eraan geloven. Want greenwashende bedrijven concurreren op een oneerlijke manier met bedrijven die daadwerkelijk investeren in duurzaamheid. Ze maken het lastiger voor consumenten een duurzame keuze te maken en ondermijnen ook het vertrouwen van consumenten in markten voor duurzame producten.
Helaas willen consumenten gemiddeld genomen niet genoeg betalen voor duurzaamheid. De redenen variëren van desinteresse, gedragsvalkuilen zoals nadruk op de korte termijn, tot een kleinere beurs. Het geringe aandeel van verkochte biologische producten illustreert dit punt. In dit soort gevallen ervaren ondernemers te weinig financiële prikkels om te verduurzamen. Sommige bedrijven zijn desondanks bereid om in verduurzaming te investeren. Zij hechten niet alleen belang aan winst maar ook aan een bredere maatschappelijke bijdrage, al dan niet als gevolg van intrinsieke motivatie van de CEO, druk van aandeelhouders of vrees voor reputatieschade en aansprakelijkheid. Als het belang van een bredere maatschappelijke bijdrage niet op dezelfde wijze wordt onderkend door alle concurrenten, kan concurrentie het moeilijker maken om de kosten van verduurzaming terug te verdienen en verduurzaming onder druk zetten.
Afspraken tussen ondernemingen kunnen duurzaamheid stimuleren, maar niet genoeg
Soms is duurzaamheid dus gediend bij minder concurrentie. Om deze reden heeft de ACM een open houding voor duurzaamheidsafspraken tussen concurrenten. De Mededingingswet biedt daar ook ruimte voor. Bedrijven mogen de onderlinge concurrentie beperken als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Eén daarvan is dat de voordelen die consumenten direct of indirect ontvangen als gevolg van een hoger duurzaamheidsniveau opwegen tegen de nadelen van minder concurrentie. Zo stimuleren we nog net wat meer duurzaamheidsinitiatieven van marktpartijen (en nemen we het excuus weg dat ‘duurzaamheid niet kan vanwege de Mededingingswet’).
Ondanks de ruimte voor duurzaamheidsafspraken levert de markt niet genoeg verduurzaming. Ten eerste, bedrijven hebben niet altijd een prikkel om met hun concurrenten een duurzaamheidsafspraak te maken, zelfs als dat is toegestaan. Consumenten verschillen in hun betalingsbereidheid voor duurzaamheid. Dat geeft bedrijven prikkels om verschillende doelgroepen te bedienen die verschillen in betalingsbereidheid voor duurzaamheid. Door verschillende groepen te bedienen ontsnappen bedrijven deels aan onderlinge concurrentie. Dat maakt een duurzaamheidsafspraak minder lonend.
Ten tweede, duurzaamheidsafspraken zijn vooral wenselijk als consumenten duurzaamheid niet volledig waarderen. In die gevallen geeft concurrentie immers onvoldoende prikkel om die extra stap te zetten en kan een afspraak net dat extra zetje geven. Maar als de consument duurzaamheid bijna niet waardeert, riskeren bedrijven consumenten van zich te vervreemden en is het moeilijker om aan te tonen dat de consument gecompenseerd wordt voor de beperking van de concurrentie. Juist bij grote externaliteiten komt een grens aan de uitzondering op het kartelverbod in zicht. Overigens krijgt de ACM veel duurzaamheidsafspraken voorgelegd die niet eens de concurrentie beperken, en dus de uitzondering op het kartelverbod niet nodig hebben. In de praktijk is dus nog veel mogelijk.
Ten derde, het is soms moeilijk om de waardering voor duurzaamheid goed te meten. Betalingsbereidheid is afhankelijk van sociale normen. Sociale normen zijn bovendien afhankelijk van de context, waaronder keuzes die andere consumenten maken en informatie daarover. Het is goed mogelijk dat consumenten aangeven niet te willen betalen voor een duurzaam product dat nog ontwikkeld moet worden, maar daar wel voor willen betalen zodra het beschikbaar is en ook door anderen gekocht wordt. Dit is niet puur een meetkwestie. Betalingsbereidheid is geen statisch gegeven maar wordt gevormd door de omgeving. Bedrijven bepalen die omgeving door duurzame producten te ontwikkelen en aan de man te brengen, maar de overheid heeft hier ook een rol.
Overheidsbeleid stimuleert marktinitiatief
Overheidsbeleid voor verduurzaming blijft nodig. Met normering en beprijzing stuurt de overheid direct op duurzame marktuitkomsten. Indirecter, maar minstens zo belangrijk, is het signaal dat van dergelijk beleid uitgaat. Een overheid die stuurt op duurzaamheid laat zien dat duurzaamheid belangrijk is. Een overheid die dat niet doet, stuurt ook, maar dan de andere kant op. Daarmee beïnvloedt de overheid ook sociale normen voor duurzaam gedrag. Sociale normen beïnvloeden op hun beurt consumentenkeuzes, en dat prikkelt bedrijven tot meer duurzaamheid. Hierbij is aandacht voor een rechtvaardige transitie essentieel. Een overheid die duurzaam gedrag vraagt van burgers moet ook ondersteuning bieden waar nodig. Daar komt bij dat duurzaam gedrag soms ook gewoon goed is voor de portemonnee, zoals bij zonnepanelen. Ook daarom is het belangrijk dat iedereen mee kan doen. De overheid is bij uitstek de speler die hier invloed op heeft.
Jan Tichem, plaatsvervangend Chief Economist ACM