Blog Paul de Bijl: Empirie over fusies en innovatie
Deze herfst legt de Europese Commissie de laatste hand aan nieuwe EU-fusierichtsnoeren (externe website) die ook van invloed zijn op de ACM-praktijk. Belangrijke doelen daarvan zijn om fusiebeoordelingen beter te laten aansluiten bij economische ontwikkelingen, en om de Europese concurrentiekracht en strategische autonomie te versterken. Dat sluit aan bij de oproep uit het Draghi-rapport van 2024 om bij Europese fusiebeoordelingen meer aandacht te geven aan innovatie en investeringen.
Deze herziening heeft terecht al veel discussie opgeroepen. Een belangrijk debat, waarin de Commissie laat zien open te staan voor ruimere beoordelingen van fusies (binnen de ongewijzigde EU-concentratieverordening). Een kritiekpunt was namelijk dat negatieve prijseffecten op korte termijn de boventoon voerden. Maar fusies kunnen ook leiden tot positieve, ‘dynamische effecten’ zoals innovatie, investeringen en markttoetreding. Maar ook tot negatieve dynamische effecten, zoals marktuitsluiting en innovatiebelemmeringen. Zorgvuldigheid is daarom vereist. Wat het lastig maakt is dat het beoordelen en meewegen van dynamische effecten om een vooruitziende blik vraagt. Wetenschappelijke inzichten over de impact van fusies komen daarbij goed van pas, zoals twee studies die Europese Commissie (DG Mededinging) voor dit doel heeft laten uitvoeren.
Theorie en empirie
Hoe verhoudt marktconcentratie zich tot innovatie? Omdat een fusie het aantal concurrenten – en mogelijk ook de concurrentie – vermindert, is er een parallel met het verband tussen concurrentie en innovatie. Dat kan verschillende kanten opgaan. Economen beschrijven dit als een omgekeerde U-vorm: eerst zet concurrentie bedrijven aan om innoveren, maar wanneer risicovolle R&D hinder ondervindt van zeer felle concurrentie kan het remmend werken. Vanwege de verschillende mogelijkheden helpt het om een denkkader bij de hand te hebben dat mogelijke effecten op een rij zet.
Een eerste studie voor de Commissie, door adviesbureau Oxera en enkele academische experts, presenteert een raamwerk om de impact van fusies op de verwachte (toekomstige) consumentenwelvaart te duiden (tweeledig rapport, zie
deel 1
(externe website)
en
deel 2
(externe website)
). Op hoofdlijnen kunnen de volgende dynamische effecten optreden:
- Gunstige doorwerking: Na een fusie blijft er meer opbrengst van succesvolle innovatie binnen het concern. Ook blijft opgedane kennis die anders kan weglekken naar de concurrent (beoogde fusiepartner) binnen het gefuseerde bedrijf. Dat maakt het aantrekkelijker om te innoveren (al weegt mee dat er evengoed kennis naar buiten kan weglekken, wat ongunstig is voor innovatieprikkels). Ook leiden fusies soms tot synergie, bijvoorbeeld door complementariteit en schaalvoordelen. Niet-horizontale fusies kunnen efficiëntievoordelen opleveren en dubbele mark-ups wegnemen. Verder vinden startups het vooruitzicht op overname aantrekkelijk.
- Ongunstige doorwerking: Een horizontale fusie neemt (toekomstige) concurrentie op prijs, kwaliteit en innovatie tussen fusiepartners weg. Ook wanneer dat vooruitzicht meer investeringen uitlokt, gaan prijzen naar verwachting stijgen en krijgen consumenten minder keuze. Daarnaast kan de concurrentie op innovatie verminderen, vanwege zwakkere prikkels om voorop te lopen en marktaandeel van de concurrent (beoogde fusiepartner) te kapen. Niet-horizontale fusies creëren een risico op minder toegang tot grondstoffen en halffabricaten, wat concurrenten hindert en op kosten jaagt. Verder maken fusies die toetredings- en uitbreidingsdrempels verhogen dominante spelers nog sterker.
Voordelen die de nadelen kunnen compenseren moeten, volgens een afwegingskader in het rapport, verifieerbaar en fusie-specifiek zijn en gunstig uitpakken voor consumenten. Wat in lijn is met de gebruikelijke checks bij een efficiëntieverweer. Bij sterkere en vroeger te verwachten nadelen moeten de voordelen groter én plausibeler zijn (wat ook de andere kant kan opgaan).
Het rapport bespreekt ook de stand van zaken in de wetenschappelijke literatuur over concurrentie, fusies en innovatie. Die is versnipperd en laat zien dat effecten ambigu zijn. Empirische studies laten wel zien dat concurrentie bedrijven productiever maakt en leidt tot vervanging van minder door meer productieve bedrijven.
De tweede studie (externe website) bij de revisie van de fusierichtsnoeren is uitgevoerd door wetenschappers Joel Stiebale en Florian Szücs. Zij hebben een ex post evaluatie van 3.825 fusies, beoordeeld door de Europese Commissie in de periode 1990−2024, uitgevoerd. Waar het eerste rapport 475 studies over allerlei mogelijke dynamische effecten bespreekt, gaat het hier om een scherp afgebakende empirische studie met behulp van toegespitste data. Daaruit blijkt een ongunstig beeld: gemiddeld leidden de goedgekeurde fusies tot minder patenten en hogere winstmarges, zowel voor de fuserende partijen als hun concurrenten. Blijkbaar leidt concentratie in de praktijk (gemiddeld) vooral tot meer marktmacht en minder concurrentie en innovatie. Deze empirie contrasteert nogal met de beloftes rondom plannen voor fusies en overnames. En met de bewering dat Europese fusiecontrole te streng is, zoals het Draghi-rapport opperde. Vanuit het oogpunt van innovatie en investeringen was het Europese fusietoezicht eerder te soepel. Bovendien is er weinig bewijs dat fusies binnen strategisch belangrijke technologiegebieden tot meer innovatie hebben geleid. Een kanttekening bij deze studie is dat de onderzoekers innovatie afmeten aan het aantal patenten. Een gangbare proxy, maar dat is niet de enige manier waarop innovatie tot wasdom komt.
De herziening van de fusierichtsnoeren lokt overigens ook op andere manieren onderzoek uit. Waar het Draghi-rapport specifiek voor telecom nog pleitte voor meer marktconcentratie, ook in nationale markten, wijst recent onderzoek erop dat een gezonde marktdynamiek daar niet om vraagt. Ook is Europese fusiecontrole geen belemmering voor opschaling over grenzen heen in de telecomsector.
Evenwichtige beoordeling
Waarom fuseren bedrijfsbestuurders zo graag? Aandeelhouders profiteren uiteraard van een grotere winstgevendheid bij minder concurrentie. Bedrijven en hun bestuurders hebben bij minder concurrentie een ‘rustiger leven’. Maar in voorkomende gevallen kunnen er zeker gegronde vooruitzichten zijn op innovatie en synergie waar afnemers baat bij hebben, en die ook leiden tot waardecreatie voor aandeelhouders. Wel komt overschatting van deze voordelen geregeld voor: bestuurders hebben soms teveel vertrouwen in hun eigen visie (‘managerial hubris’ theorie). En het komt voor dat zij vooral hun imperium willen vergroten terwijl dat niet in het belang van de aandeelhouders is (‘agency’ theorie).
Voor buitenstaanders, inclusief mededingingsautoriteiten, zijn de ‘echte’ beweegredenen voor een fusie of overname lastig te beoordelen. Dat doet er ook niet direct toe. Wat telt zijn de verwachte positieve en negatieve effecten. Mededingingsautoriteiten laten zich graag overtuigen door positieve effecten die zich naar verwachting pas later zullen voordoen. Hoe duidelijker de behoefte of noodzaak van een fusieplan, hoe eenvoudiger het is om dat overtuigend te onderbouwen. Vanwege het belang van concurrentie voor innovatie en weerbaarheid zijn gegronde afwegingen daarover des te belangrijker.