Acm.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruikersgemak te verbeteren. Lees meer over cookies

Besluit op bezwaar Drost bepalingen verordeningen NOvA

De NMa wijst de klacht van Drost af over bepalingen in de verordeningen van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) die hem beletten met andere advocaten samen te werken of hen in dienst te nemen.

Drost, die binnen zijn onderneming dan wel binnen een nieuw op te richten advocatenvennootschap advocaten in dienstbetrekking wil nemen dan wel een samenwerkingsverband met advocaten wil aangaan, klaagt over (bepalingen) in verscheidene verordeningen van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), die hem dit, als rechtskundig adviseur (niet-advocaat), beletten. Het betreft de Verordening op de Praktijkuitoefening in Dienstbetrekking, de Verordening op de Praktijkrechtspersoon de Samenwerkingsverordening 1993. In eerste instantie werd de klacht van Drost afgewezen, onder meer vanwege het toenmalige artikel 16 Mededingingswet (Mw), op basis waarvan door de NOvA uitgevaardigde verordeningen onttrokken waren van de toepassing van artikel 6 Mw. Drost tekende bezwaar aan tegen deze beslissing. In de beslissing op bezwaar is de klacht van Drost afgewezen op basis van de beleidsvrijheid van de NMa om prioriteiten te stellen. De NMa acht het thans niet doeltreffend en niet doelmatig om nader onderzoek te doen naar het individuele geval van Drost dan wel eventueel handhavend op te treden tegen de NOvA. In dit kader wordt van belang geacht dat de NMa bezig is met een consultatie naar aanleiding van een inventarisatie van mogelijke mededingingsbeperkende (interne) beroepsregels in de advocatuur. Deze inventarisatie annex consultatie gaat ook in op de beroepsregels waar Drost over klaagt. Medio 2007 zal de NMa in dit kader een eindverslag uitbrengen.

 

Bijlagen

Besluit op bezwaar Drost bepalingen verordeningen NOvA (PDF - 129.88 KB)